Begrippenkader examinering

Een eenduidig begrippenkader kan helpen om tot standaardisering in de examenprocessen te komen. Het maakt de communicatie eenvoudiger, zowel binnen een mbo-school als tussen mbo-scholen. Het Servicepunt examinering mbo heeft daarom het begrippenkader voor examinering in het mbo uit 2011 geactualiseerd. Als u op- of aanmerkingen heeft kunt u deze aan het Servicepunt examinering mbo doorgeven.

Begrippenkader 2.0 en verantwoording voor totstandkoming - maart 2013 (download pdf)

Het servicepunt heeft het begrippenkader 2.0 ter validatie voorgelegd aan het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs. Begrippen die ten opzichte van het begrippenkader uit 2011 nieuw zijn toegevoegd, zijn herkenbaar aan een asterisk (*). De schuingedrukte teksten zijn wettelijke teksten of verwijzen ernaar.

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

A
Afnameconditie

Beschreven omstandigheden waaronder een exameneenheid wordt afgenomen.

Afnameprotocol
Beschreven procedures waaronder een exameneenheid wordt afgenomen.

Antwoordmodel*
Een opsomming van goede, minder goede en foute antwoorden per vraag, voorzien van een beoordelingsvoorschrift. Dit voorschrift bevat zowel de maximaal haalbare score en de scorepunten per vraag, als de algemene richtlijnen voor het beoordelen van de antwoorden van examenkandidaten.

Assessor*
Zie beoordelaar.

Authenticiteit
(1) Mate waarin kan worden vastgesteld of de prestatie bij een exameneenheid daadwerkelijk van de examenkandidaat afkomstig is.
(2) De werkomstandigheden en sociale context tijdens de beoordeling van het examen komen zoveel
mogelijk overeen met die in de toekomstige beroepspraktijk.

^ Naar boven

B
Beleidskaders examinering*
Afspraken binnen de mbo-school die de basis vormen voor de examineringscyclus, zoals vastgelegd in het handboek examinering en de examenvisie.

Beoordelaar
Persoon die gerechtigd is de prestaties bij een examen te voorzien van een score en de resultaten vast te leggen gebruikmakend van het vastgestelde beoordelingsprotocol.

Beoordelen*
Waarderen van een geleverde prestatie van een (examen)kandidaat aan de hand van een beoordelingsprotocol.

Beoordelingscriterium
Maatstaf aan de hand waarvan de beoordeling plaatsvindt.

Beoordelingsprotocol
Beschreven procedures op grond waarvan de examenfunctionaris een examen met een score waardeert.

Beoordelingsvoorschrift
Zie beoordelingsprotocol

Beroepsgerichte kwalificatiestructuur*
Diplomastructuur in het mbo die gericht is op het verwerven van kennis, vaardigheden en houding, benodigd voor de uitoefening van het beroep, het functioneren in de maatschappij en de doorstroom naar een hoger onderwijsniveau.

Beroepspraktijkvorming (bpv)
Het verplichte deel van de beroepsopleiding dat in een erkend leerbedrijf plaatsvindt. Een met goed gevolg afgesloten bpv is een wettelijke vereiste voor diplomering.
WEB: beroepspraktijkvorming: het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid.

Beroepsprocedure
Wettelijk geregelde werkwijze die de examenkandidaat moet volgen wanneer hij formeel bij een commissie van beroep voor examens in beroep gaat tegen een uitspraak van de examencommissie. Aan een beroepsprocedure kan een bezwaarprocedure vooraf gaan. 

BET (Beschrijving van Examentaken)*
Digitaal overzicht van alle examentaken per processtap waarin per pdca-activiteit werkprocessen en indicatoren staan. Verschillende functionarissen kunnen deze taken in het examenproces uitvoeren.

Betrouwbaarheid
Mate waarin het resultaat van een exameneenheid consistent, nauwkeurig en reproduceerbaar is en – onder dezelfde omstandigheden herhaald - tot hetzelfde resultaat leidt.

Bezwaarprocedure
Werkwijze die de examenkandidaat moet volgen wanneer hij bij de examencommissie bezwaar aantekent tegen de gang van zaken rondom de examinering. 

Branchevereisten*
Door de branche vastgestelde eisen waaraan de beginnende beroepsbeoefenaar uitvoering moet kunnen geven om het beroep uit te voeren.

^ Naar boven

C
CEF-niveaus (Common European Framework)*
Europese niveauaanduiding voor het generieke en beroepsgerichte Engels (niveau 4-opleidingen). De niveaus worden ook gehanteerd bij andere talen, behalve Nederlands.

Centraal ontwikkelde examens (coe)*
Landelijke (digitale) examenvorm waarbij in centraal vastgestelde afnameperioden het eindniveau op afgesproken referentieniveaus (CEF of ERK) wordt geëxamineerd voor Nederlands (lezen en luisteren) en rekenen.
WEB: centraal examen: centraal examen of examenonderdeel bestaande uit door het college vastgestelde toetsen die door of in opdracht van de instelling worden afgenomen overeenkomstig daarvoor bij of krachtens dit besluit gestelde eisen.

Certificaat
Waardepapier waarop staat dat een student aan een onderdeel van een kwalificatie heeft voldaan. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een school het certificaat aan onderdelen van een kwalificatie verbindt of aan onderdelen van een opleiding die de school zelf belangrijk vindt.
WEB: Artikel 7.2.3. Certificaten.

Certificeerbare eenheid
Vastgesteld onderdeel uit een kwalificatiedossier met arbeidsmarktrelevantie waarvoor een certificaat afgegeven kan worden.

Cesuur
Grens tussen de hoogste score waaraan een onvoldoende wordt toegekend en de laagste score waaraan een voldoende wordt toegekend. 

Cohort
Groep examenkandidaten die op basis van hetzelfde kwalificatiedossier staat ingeschreven en hetzelfde examenplan volgt.

Cohortenschema*
Schema van het Steunpunt taal en rekenen mbo dat inzicht verschaft in de (referentie- of CEF-)niveaus waaraan studenten in de verschillende cohorten moeten voldoen voor de generieke eisen Nederlands, rekenen en Engels (mbo-niveau 4).

Commissie van beroep voor examens
Commissie die het beroep behandelt dat een examenkandidaat heeft ingediend tegen een uitspraak van de examencommissie. Daarbij wordt vertrouwd op een onafhankelijk oordeel. Het bevoegd gezag heeft de commissie ingesteld. Zie ook beroepsprocedure.
WEB: zie Artikel 7.5.1. Commissie van beroep voor de examens.

Constructeur
Persoon die examens (exameneenheden, exameninstrumenten) ontwikkelt of samenstelt.

Correctievoorschrift
Lijst met richtlijnen voor beoordelaars behorend bij een exameneenheid met open vragen en een antwoordmodel.

Corrector
Persoon die een prestatie van een examenkandidaat beoordeelt op basis van een correctievoorschrift.

Criteriumgericht interview (cgi)*
Individueel vraaggesprek voor een (praktijk)beoordeling, waarin de beoordelaar gestructureerd onderzoekt of een examendeelnemer niet alleen het vereiste niveau beheerst, maar ook begrijpt wat hij doet en waarom.

^ Naar boven

D
Deelnemer*
Zie student

Dekkingsgraad
Mate waarin de te behalen onderdelen van de kwalificatie zijn opgenomen in het examenplan, uitgedrukt in een percentage.

Diploma
Wettelijk erkend document dat aantoont en vastlegt dat de eigenaar een omschreven kwalificatie voldoende beheerst.
WEB: Artikel 7.4.6. Diploma’s.

Diplomadossier*
Totaal van examengerichte resultaten, inclusief de onderliggende bewijsstukken, op grond waarvan de examenfunctionaris kan besluiten tot diplomering van een examenkandidaat.

Diploma-eisen
Geheel aan vereisten gericht op het beroep, vervolgonderwijs en de maatschappij, waaraan studenten moeten voldoen om een mbo-diploma te behalen: de beroepsgerichte eisen die het kwalificatiedossier stelt, generieke eisen voor Nederlands, rekenen en Engels (mbo-niveau 4), eisen voor Loopbaan en Burgerschap en een met goed gevolg afgesloten bpv waarbij het oordeel van het leerbedrijf is betrokken.

Diplomering
Het proces van vaststellen of de examenkandidaat aan de diploma-eisen voldoet tot en met het uitreiken van het diploma.

^ Naar boven

E
Edumetrische gegevens*
Term voor scores op kwaliteitscriteria voor praktijktoetsen of assessments.

Erkenning van Verworven Competenties (EVC)*
Formele erkenning van kennis, vaardigheden en werkervaring die buiten het onderwijs zijn opgedaan en een korte leerroute mogelijk maken naar een mbo-diploma.

Ervaringscertificaat (ook: EVC-certificaat)*
Een document, afgegeven door een erkende EVC-aanbieder, waarin de kennis, vaardigheden en werkervaring van de student staan. Op grond van een EVC-certificaat kan de examencommissie bepalen of de student in aanmerking komt voor diplomering, of dat hij (delen van) het examen alsnog moet afleggen om aan de diplomeringseisen te voldoen.

Examen
Door een daartoe bevoegde instantie ingesteld onderzoek naar kennis, vaardigheden en houding die de examenkandidaat zich op grond van de diploma-eisen moet hebben eigen gemaakt, en de beoordeling van de uitkomsten van dat onderzoek aan de hand van de beoordelingscriteria en beslisregels. Een examen kan uit meerdere examenonderdelen en -eenheden bestaan. 

Examenbundel
Het examenplan dat bij een kwalificatie hoort plus alle onderliggende exameninstrumenten.

Examenbureau
Organisatorische eenheid binnen de mbo-school die zich, onder verantwoordelijkheid van een examencommissie, bezighoudt met het logistieke en administratieve proces van de examinering en diplomering.

Examencommissie
Organisatorische eenheid, ingesteld door het bevoegd gezag, die eindverantwoordelijk is voor de examinering en diplomering binnen de mbo-school.
WEB: examencommissie als bedoeld in artikel 7.4.5 van de wet.

Examenconditie
Zie afnameconditie

Examencontext*
De omgeving (fysiek, organisatorisch of technisch) waarin examens plaatsvinden en de diverse examenonderdelen of -eenheden worden afgenomen.

Examencyclus*
Het gehele proces van het stellen van kaders en het vormgeven, uitvoeren en evalueren van de examinering.

Examendeelnemer
Wettelijke term voor een persoon die uitsluitend is ingeschreven voor deelname aan examenactiviteiten.
WEB: deelnemer; deelnemer en in voorkomende gevallen examendeelnemer als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet.

Examendossier
Zie diplomadossier

Exameneenheid
Zie examenonderdeel 

Examengerichte beoordeling
Beoordeling die gericht is op het vaststellen of de examenkandidaat voldoet aan de exameneisen. 

Exameninstelling
Instelling die wettelijk bevoegd is om examens, examenonderdelen en/of -eenheden uit te voeren.
WEB: Artikel 1.6.1. Exameninstellingen. 

Exameninstrument
Concrete uitwerking van een examen(eenheid) die wordt gebruikt om de prestaties van de examenkandidaat te beoordelen. Deze bestaat in ieder geval uit een vastgestelde set van:
- opdracht(en) met bijbehorende afnamecondities;
- instructies voor de examenkandidaat;
- criteria en instructies voor de examinatoren en andere betrokkenen;
- het beoordelingsmodel, de beoordelingscriteria en de cesuur.

Examenkandidaat
Persoon die deelneemt aan een examen.

Examenleverancier
Instantie die examens (-onderdelen, -eenheden) levert.

Examenmix*
Zie methodemix

Examenonderdeel
Wettelijke term voor de diverse (beroeps)specifieke en generieke onderdelen van een examen.
WEB: examenonderdeel: onderdeel van het examen van een beroepsopleiding. 

Examenplan
Plan waarin, per kwalificatie en cohort, alle exameneenheden staan waaraan een student moet voldoen, inclusief de bijbehorende beslisregels. 

Examenproces*
Het geheel van acties dat nodig is om de examinering (goed) te laten verlopen.

Examenproduct
Term voor exameninstrument, afkomstig uit de Procesarchitectuur Examinering.

Examenprotocol
Zie afnameprotocol

Examenregeling
Vastgestelde regeling waarin de informatie staat die de examenkandidaat nodig heeft om de examens te kunnen afleggen, gebaseerd op het examenplan en -reglement.

Examenreglement
Formeel vastgelegde regels en afspraken die gelden voor de examinering en diplomering (over bijvoorbeeld fraude, herkansing, bewaartermijnen en het indienen van een beroep).

Examenresultaat
Een uitkomst van een examen, examenonderdeel of –eenheid, door de examencommissie officieel vastgesteld.

Examensetting*
Zie examencontext

Examenvisie*
Een bondig en ambitieus geformuleerd toekomstbeeld dat richting geeft aan de wijze waarop een organisatie de examinering wil uitvoeren.

Examenvorm
Manier waarop een exameneenheid wordt afgenomen, bijvoorbeeld een proeve van bekwaamheid, kennistoets, vaardigheidstoets of (criteriumgericht) interview.

Examinator
Wettelijke term voor een persoon die examens afneemt en beoordeelt. Zie beoordelaar en assessor.

Examinering*
Het nemen van beslissingen over inhoud en niveau van examens van een beroepsopleiding, procedures en voorwaarden waaronder examens worden afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van examens.
WEB: De vorige volzin is van toepassing op examens van de afzonderlijke leerwegen van een opleiding indien Onze Minister ingevolge artikel 7.2.4, tweede lid, heeft besloten dat een opleiding zowel in de beroeps-opleidende als in de beroepsbegeleidende leerweg kan worden verzorgd, alsmede op een opleiding educatie.

Examineren*
Het afnemen van een (kwalificerend) examen.

Extraneus
Zie examendeelnemer

^ Naar boven

F
Formatief beoordelen
Zie ontwikkelingsgericht beoordelen

^ Naar boven

G
Generieke examenonderdelen

Niveaugebonden examenonderdelen die voor alle studenten gelden en die betrekking hebben op de examinering van algemene kwalificatie-eisen voor Nederlandse taal, rekenen (en Engels voor studenten van niveau 4-opleidingen).
WEB: generieke examenonderdelen: examenonderdelen die de examinering betreffen van de generieke kwalificatie-eisen.

Gesimuleerde examenomgeving
Examenomgeving die de reële beroepssituatie nabootst, maar hiervan afwijkt doordat de examencondities uniform en vergelijkbaar zijn en eenduidig kunnen worden beheerst, uitgevoerd en/of beoordeeld. Ook kortweg simulatie genoemd.

Gesprekstechnieken*
Gerichte – vaak theoretische - hulpmiddelen die toepasbaar zijn bij het voeren van een eindgesprek of criteriumgericht interview, bijvoorbeeld de STARR-methode.

^ Naar boven

H
Handboek examinering

Document voor alle personen die direct bij de examinering betrokken zijn, met daarin alle relevante processen, procedures en verantwoordelijkheden voor de examinering.

^ Naar boven

I
Indicator*
Een meetbaar kwaliteitsaspect voor examinering dat gekoppeld is aan een standaard uit het Toezichtkader van de Inspectie van het Onderwijs.

Instellingsexamen*
Door de instelling vastgesteld examen waarbij het eindniveau op afgesproken niveaus wordt vastgesteld, bijvoorbeeld voor Nederlands (schrijven, gesprekken voeren en spreken), Engels en rekenen.
WEB: instellingsexamen: examen of examenonderdeel bestaande uit toetsen die zijn vastgesteld en worden afgenomen door of in opdracht van de instelling.

^ Naar boven

K
Kadertoetsen*
Een onvolledig en globaal omschreven exameninstrument dat door een leverancier is opgesteld en als afgerond geheel overgedragen wordt aan een onderwijsinstelling. Mbo-scholen moeten zorgen voor nadere invulling, waarna de Inspectie pas een eindoordeel uitspreekt.

Keuze(deel)*
Verplicht in te vullen ruimte in het kwalificatiedossier dat kwalificatie-eisen bevat die een verrijking vormen van iedere opleiding die op basis van het kwalificatiedossier te construeren is. De keuze bevat als doelbestemming een nadere specialisatie, extra voorbereiding op vervolgonderwijs of een invulling gericht op de wensen van het regionale bedrijfsleven. De keuze is onderdeel van het diploma.

Kostenmodel examinering*
Digitaal serviceproduct dat inzicht verschaft in en ondersteunt bij de financiële opbouw, samenstelling en hoogte van de uitgaven voor examinering binnen een opleiding of mbo-school.

Kritische succesfactoren (KSF)*
Een overzicht van succesvol gebleken factoren die helpen om de kwaliteit van examineren te verbeteren. Het overzicht is gebaseerd op praktijkinformatie, bureau- en literatuuronderzoek.

Kwalificatie
Geheel van bekwaamheden dat een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeert voor het functioneren in een beroep/groep van samenhangende beroepen, het vervolgonderwijs en als burger. Dit geheel is beschreven in een kwalificatiedossier.
WEB: kwalificatie: de kwalificatie, bedoeld in artikel 7.1.3.

Kwalificatie-eisen*
Geheel van bekwaamheden dat een afgestudeerde van een beroepsopleiding kwalificeert voor het functioneren in een beroep/groep van samenhangende beroepen, waaraan studenten moeten voldoen om een examen succesvol af te sluiten.

Kwalificatieborgingscyclus*
Zie pdca-cyclus

^ Naar boven

L
Leerling*

Zie student

^ Naar boven

M
Methodemix

Samenhangend geheel van verschillende examenvormen dat een valide en betrouwbaar oordeel oplevert over de bekwaamheid van de te kwalificeren examenkandidaat. Ook wel examenmix genoemd. 

^ Naar boven

N
Normenbundel

Een document, gerelateerd aan het gebruikte Toezichtskader, waarmee de Inspectie van het Onderwijs extra informatie geeft over de wijze waarop zij de exameninstrumenten in het mbo beoordeelt.

^ Naar boven

O
OER (Onderwijs en examenregeling)*
Regeling waarin de programmering van de onderwijsactiviteiten, inclusief de examinering, is verantwoord en vastgelegd. Met ingang van 1 augustus 2014 verplicht.

Ontwikkelingsgericht beoordelen
Beoordelen van de voortgang van een student. De bevindingen uit een ontwikkelingsgerichte beoordeling kunnen worden gebruikt om te kijken of een student zich op bepaalde gebieden nog moet ontwikkelen. Deze beoordeling is geen onderdeel van het examen, maar maakt deel uit van het onderwijs. 

Ontwikkelingsgerichte toets*
Instrument om de voortgang van de vorderingen van een student in kaart te brengen en vast te leggen. Een ontwikkelingsgerichte toets maakt geen onderdeel uit van het examen.

^ Naar boven

P
Pdca-cyclus*
Cyclus bestaande uit een geheel van acties dat gezamenlijk een doorlopend proces weergeeft voor kwaliteitsborging: plan-do-check-act (ofwel ontwerp, uitvoering, controle en bijstelling van de uitgevoerde acties).

Pilotexamen*
WEB: centraal examen dat bij wijze van proef wordt afgenomen in een periode voorafgaand aan de invoering van centrale examinering voor het betreffende examenonderdeel overeenkomstig daarvoor bij of krachtens artikel 19 gestelde eisen.

Praktijkbeoordelaar
Persoon die een prestatie van een examenkandidaat in de beroepspraktijk of in een gesimuleerde beroepsomgeving beoordeelt en vastlegt op basis van een beoordelingsvoorschrift. Dit kan iemand uit de praktijk zijn of een docent. 

Procesarchitectuur Examinering*
Digitale, schematische weergave van de gehele examencyclus in het mbo, gebaseerd op de pdca-cyclus. De Procesarchitectuur Examinering is opgedeeld in logische procesgebieden en voorzien van gestandaardiseerde hulpmiddelen, servicedocumenten en achtergrondinformatie.

Procesgebied*
Term uit de Procesarchitectuur Examinering die een bepaalde fase in het examenproces aanduidt (kaders stellen, (leren), construeren en vaststellen, examineren, diplomeren en de kwaliteitsborging van het examenproces als geheel).

Processtap*
Term uit de Procesarchitectuur Examinering die een afgeronde eenheid aanduidt binnen een procesgebied.

Proces-verbaal*
Rapport over het procedurele verloop van de examinering dat de beoordelaar of (sub)examencommissie heeft opgesteld tijdens of direct na afloop van de examenafname.

Proeve van bekwaamheid*
Mix van toets- en beoordelingsvormen die vaststelt in hoeverre een student voldoet aan (een deel van) de kennis, vaardigheden en (beroeps)houding die het kwalificatiedossier stelt. De proeve vindt vaak plaats in een authentieke of gesimuleerde beroepspraktijk en kan zowel ontwikkelingsgericht als kwalificerend worden afgelegd en beoordeeld.

Psychometrische gegevens*
Gegevens die inzicht geven in de toets- en itemkwaliteit van examens op basis van een daarop gerichte analyse.

^ Naar boven

R
Referentieniveaus*

Niveauaanduiding voor de generieke vakgebieden Nederlandse taal en rekenen, verschillend per opleidingsniveau.
Zie: Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

Referentiekaders*
Een wettelijk vastgesteld model waarin de eisen voor de verschillende kennis- en vaardigheidsniveaus voor de generieke vakgebieden Nederlandse taal en rekenen staan (inclusief een bijbehorend cohortenschema).

Resultatenlijst*
Het overzicht waarin de eindwaardering van de examenonderdelen, zoals bedoeld in artikel 3 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB, zijn opgenomen.

^ Naar boven

S
Schoolexamen*
Zie instellingsexamen

Sectoraal examenprofiel (sep)
Document waarin vertegenwoordigers uit het georganiseerd onderwijs en bedrijfsleven per sector afspraken hebben vastgelegd over de organisatie en uitvoering van de examinering.

SET (Scan Examentaken)*
Digitaal instrument om (snel) antwoord te krijgen op de vraag of alle examentaken op een deskundige wijze in de organisatie zijn belegd.

Specifieke examenonderdelen
Examenonderdelen die tot een specifieke beroepsopleiding behoren.
WEB: specifieke examenonderdelen; examenonderdelen die de examinering betreffen van de specifieke kwalificatie-eisen die als kerntaken zijn opgenomen in het kwalificatiedossier van de beroepsopleiding waarin examen wordt gedaan. 

Student*
Benaming van iemand die onderwijs volgt, ook wel leerling of deelnemer genoemd.

Summatief beoordelen
Zie examengericht beoordelen

Surveillant*
Persoon die toezicht houdt op de correcte afname van examens.

^ Naar boven

T
Taxonomie*
Een manier om het cognitieve niveau van opdrachten in toetsen te ordenen en classificeren, zoals het toetsen van kennis, inzicht en toepassing (bijvoorbeeld taxonomie van Bloom).

Toets
Instrument voor het meten van de kennis, vaardigheden en/of houding van een student. Een toets kan zowel ontwikkelingsgericht als kwalificerend worden ingezet.

Toetsdoel*
De vooraf opgestelde intentie waaraan (de inhoud van) een toets moet voldoen en wat deze toets beoogt te meten.

Toetsen*
Het afnemen van een toets of examen, examenonderdeel of -eenheid.

Toetsmatrijs*
De blauwdruk van een toets of examen, waarin staat wat de examenfunctionaris toetst, op welk (cognitief) niveau, op welke wijze, met welke soort opdracht of vraag en met hoeveel opdrachten of vragen.

Toetsvorm*
Wijze waarop een ontwikkelingsgerichte toets of examen(eenheid) plaatsvindt, bijvoorbeeld door middel van een kennistoets, vaardigheidstoets, (criteriumgericht) interview of proeve van bekwaamheid.

Toezichtkader*
Document waarin de Inspectie van het Onderwijs aangeeft hoe zij toezicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs en de examinering, welke kwaliteitseisen zij daaraan stelt en hoe zij op basis daarvan tot een oordeel komt.

Transparantie*
Term die impliceert dat alle betrokkenen een helder beeld hebben van hoe het examen eruit ziet en hoe dit examen wordt uitgevoerd en beoordeeld.

^ Naar boven

V
Validiteit

Mate waarin een examen meet wat het beoogt te meten. Voorwaarden hiervoor zijn dat het examen betrouwbaar en representatief is voor de inhoud en het niveau van de kwalificatie. Het is één van de voorwaarden voor goede examenkwaliteit. 

Vaststeller
Persoon die de bevoegdheid heeft de toetstechnische en/of inhoudelijke kwaliteit van exameneenheden vast te stellen.

Vaststellingscommissie
Commissie die, onder de verantwoordelijkheid van de examencommissie, de taak heeft om examen(onderdelen/-eenheden) te borgen op hun toetstechnische kwaliteit. Onder andere op validiteit en betrouwbaarheid. 

Vaststellingsprotocol*
Beschreven voorwaarden, procedures en omstandigheden op grond waarvan het proces van vaststellen van examens plaatsvindt.

Vrijstelling*
Regeling waarin eerder verworven competenties of een vooropleiding van een student zijn vastgelegd en waaruit blijkt dat de student niet (opnieuw) aan dit deel van de exameneisen hoeft te voldoen.

^ Naar boven

W
Waardepapier*
Beveiligde papiersoort die wordt gebruikt voor diploma’s en resultatenlijsten.

Waarderingskader*
Het waarderingskader bevat alle onderwerpen die de Inspectie van het Onderwijs in haar beoordeling betrekt en de normen die zij hanteert om tot een oordeel te komen. De landelijke examenstandaarden, bedoeld in artikel 7.4.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zijn verwerkt in het waarderingskader.

Weging
1. Relatieve zwaarte van een examenonderdeel of -eenheid in het examenprogramma;
2. Relatieve zwaarte van een beoordelingscriterium in een examenonderdeel of -eenheid.

Wettelijke beroepsvereisten
In wet- en/of regelgeving vastgelegde eisen waaraan de beginnende beroepsbeoefenaar uitvoering moet kunnen geven om het beroep te mogen uitvoeren.

^ Naar boven

Z
Zak-/slaagregeling*
Regeling die de criteria bepaalt voor het vaststellen van de definitieve cesuur.

^ Naar boven